|
De prins kust, door lente gedreven,
de slapende schoonheid. Een zeven-
tal dwergen staat paf:
allen vragen zich af,
hoe Sneeuwwitje ineens weer kan leven.
Nu verlaat ze de dwergen te paard.
Met de prins gaat ze zeewaarts in vaart
en als zij zich ontkleedt
voor een bad, wordt-ie heet:
ja, de prins is totaal van de kaart!
'De schoonste ben jij van het land!' hoort
Sneeuwwitje hem roepen in Zantvoort.
'M'n oogappel ben je!
Kom mee, ik verwen je!'
Dit wordt met een oorvijg beantwoord.
De vriendschap verdwijnt: louter haat is 't,
zodat-ie d'r als kameraad mist.
Eerst ging ze gedwee
op z'n paard met 'm mee,
daar de schat van de prins nog geen kwaad wist.
|