|
De eenzaamheid, de spijt, de hoeveelheid tijd.
Waarom ben ik zo bang dat het geen oordeel is maar feit.
Wanneer word ik bevrijd?
Als dit de zomer van ons leven is,
waarom is het dat ik voortdurend warmte mis?
De zon zakt sneller, maar de zee is ook mooi, en de nacht...
Maar wacht!
Over de dauw, die rijpt en prikkelt onder mijn voetzolen:
Alpenbloesem en violen. Zacht doch schrijnend.
Voorbijtrekkend met de karavaan.
Maar hé, komaan!
De vrouw die ons wekte, is nooit doodgegaan.
Aan de ringen rijgen, dat is het spel.
Na regen en schijn kennen wij dat wel.
En zoeken naar de zin die ons vertelt:
pás als wij het weten, ongeacht de rel,
pas dán bestaat de hel.
|