|
Het Geschut
Het dorre bloeiend heideveld
omarmt een vergezicht met bleke hoeve.
Een droog karrespoor golft erheen
vlak langs een wal van zand en steen
van acht meter hoog; of nee nog meer,
– die langzaam meedraait als ik passeer
Dan onder 'n fieltig camouflagenet
wordt een lange loop naar voor gebracht.
Een zeepbel van vuur, een schudden ontstaat.
De plof blijft niet uit; laag langs de kant
jaagt een flakkerend lichtspoor naar ordeloze verten.
De witte hoeve raakt direct in brand,
niet wit meer van aanzien, maar roodgerand.
Met vlammen als tengels, en koperen rook.
|