|
BEER
Het sombere, koude grachtenpand
staat in diep en donker water.
Daar beneden klinkt gesnater
als ik, bibberend met mijn hand
aan een touw mijn teddybeer
uit het kamerraam laat dalen
om hem dan weer op te halen.
Op en neer en op en neer.
Ratten schuifelen langs de kade
op hun koude, klamme handen,
lachen met hun scherpe tanden
om hun angst niet te verraden.
Ik druk mijn dikke, natte beer
heel vast aan mijn kinderwang.
'Arme Beer, was jij zo bang?'
Daarna daalt de beer weer neer.
Hoe lang ben ik al bevreesd
voor dat koude, zwarte water?
't Is inmiddels tien jaar later
en mijn arme speelgoedbeest
is nu oud en mist een oog
en zijn buik kan niet meer brommen
maar dat kan me niets verdommen.
Hij is veilig, warm en droog.
Katja Bruning
|